100 DAGEN LATER

Recht uit mijn bed, rijd ik naar de kroeg.
Zeven uur in de ochtend, eigenlijk nog veel te vroeg.
Maar als je niet op tijd begint, dan krijg je nooit genoeg.

Vijf borrels later voel ik mij nog steeds niet fit.
Het is negen uur en alles vind ik shit.
Mijn enige geluk is dat er nog een dronkaard naast me zit.

Net voor de middag heb ik al driekwart fles op.
Vrolijk grijnzend zit ik daar met een vette kop.
En roep: nóg eentje en laat de fles maar van de dop.

Ietsje later, na een rondje of drie,
Gekregen van ik zou niet meer weten wie,
Merk ik dat ik met één oog dicht scherper zie.

Ik roep dat ik even naar buiten moet,
( Want stuffen en snuffen, dat doet mij nu goed).
De geur in mijn auto wordt zowel bitter als zoet.

Rond twee uur stap ik de kroeg weer binnen.
En praat weer moeiteloos in prachtige volzinnen.
Wat mij betreft, mag het nu allemaal echt beginnen.

Toch wel wat verveeld zo rond een uur of vier,
En mij afvraag of ik van borrel over zal gaan op bier.
Interesseert mij verder niets meer ook maar ene zier.

Gelukkig roept er iemand luid: het is vijf uur….
Mooi, want dan begint het borreluur.
En drink ik mij niet meer in mijn eentje tureluur.

Als rond zes uur mijn onrust begint te knagen,
En ik allang mijn gsm heb afgezet, ter voorkoming van lastige vragen
Is de onrust in mijn hoofd al bijna niet meer te dragen

Een uurtje later zit ik weer helemaal alleen,
En roep om de vijf minuten: ik lust er nog wel één.
Ik zit stilletjes te janken en denk; waar moet dat heen?

Om negen uur wordt het toch weer gezellig druk.
Ik heb weer aanspraak, dus voor mij kan het ook niet meer stuk.
Al moet iedereen om mij lachen, want ik val voordurend van mijn kruk.

De barman roept: Dré, nog één borrel, dan ga je naar buiten.
Ik denk: shit naar die derde fles kan ik wel fluiten.
En roep: Belachelijk! Over een uur ga je pas sluiten!

Eenmaal buiten ben ik volkomen gedesoriënteerd.
En voel me zielig, eenzaam en genegeerd.
Veelvuldig wordt mijn maaginhoud over de straat uitgesmeerd.

Eindelijk zit ik in mijn auto terwijl ik heftig beef
Ik denk; hoe is het mogelijk dat ik nog leef?
Voordat ik mij eindelijk aan de rust van een coma overgeef.

Als ik door de opkomende zon weer wakker word,
En mij toch weer in het verkeer stort,
Is de noodzaak om te (ver)drinken onverkort.

Met één oog dicht rijdend weet ik niet waar ik heen ben gegaan.
Ik besef plotseling dat ik onmiddellijk moet blijven staan.
En laat mijn handen tot bloedens toe op het stuur van mijn auto slaan.
 
Ik word kwaad en roep luid: God waarom laat je mij begaan?
Waarom wil je me niet kennen, wat heb ik je aangedaan?
Als je echt bestaat, laat mij dan hier niet staan!

Opeens wordt het helder in mijn hoofd.
Niet meer zo mistig, niet meer verdoofd.
Een stem uit het niets zegt: je stopt alleen als je er zelf in gelooft.

Vanaf dat ongrijpbare moment krijg ik hoop.
Lig ik niet meer met mijzelf overhoop.
Wil ik leven zonder drank en dope.

Voordat de motivatie is afgezwakt.
En de drank alles weer van mij heeft afgepakt,
Neem ik meteen met de AA contact.

Nog diezelfde avond ervaar ik warmte en licht om mij heen.
Voel mij verbonden en niet meer alleen.
Vriendschap, erkenning, geen harten van steen.

Met een blij gevoel loop ik na mijn eerste meeting naar buiten.
Betrap er mij op dat ik, sinds jaren, weer loop te fluiten.
Mijn wil om te stoppen is niet meer te stuiten.

Honderd dagen zijn sindsdien de revue gepasseerd.
En nog dagelijks gaat het bijna verkeerd.
Maar ik houd vol, dat heb ik aan de tafel bijgeleerd.

Met raad en daad hebben jullie mij bijgestaan.
En zijn een onvoorwaardelijke vriendschap met mij aangegaan.
Bedankt dat ik met jullie hulp drie maanden de drank kon laten staan.